Gistermiddag is uw Catharina bij de boekpresentatie van Bill Mensema geweest. Daar heeft Gelkinghe al uitgebreid verslag van gedaan, dus misschien kunt u dat eerst even lezen, dan ga ik wel zolang een sjekkie roken.
Toevallig was ik net door al mijn boekjes heen, dus ik heb Fietsen met Bob Dylan al weer uit. Net als Bills’ Doemdada kon ik ook deze niet wegleggen. Cathrinus heeft over zijn vorige boek betoogd dat het schrijftechnisch niet heel sterk in elkaar zit, en ook in dit boek kwam ik knollen van fouten tegen, maar eerlijk gezegd kan me dat niks schelen. Mensema is een verhalenverteller en die zijn dungezaaid. De Bill uit zijn boeken doet mij bij tijd en wijle denken aan Peter van Straatens Agnes; net zo’n eikel en net zo’n laiverd. Het heeft meer overeenkomsten, ook dit boek is een hedendaagse zedenschets, met dien verstande dat de romanfiguur Bill (lastig, dezelfde naam) een stuk meer in de wereld staat dan de schepping van Van Straaten. Bij hem dringt de maatschappijproblematiek en -kritiek wel degelijk door, terwijl dit genre over het algemeen de wederwaardigheden van een kleine sociale kring beschrijft. Deze uitbreiding bevalt mij prima.
Hoe dan ook: ik vond het een hartstikke leuk boek en ik heb me uitstekend vermaakt met de streek die Mensema bijvoorbeeld Peter Weening van Vera (Peter Programma) levert. Ik heb een sterk vermoeden dat PePr zelf er het hardst om zal lachen. Dat maakt het boek voor ons natuurlijk extra leuk: het speelt in Stad en zo vaak komt het niet voor datwe de plekken en (stukjes van) mensen in een roman ook werkelijk kennen, dus dat is een aardige extra dimensie.